Weinig klinische termen worden zo vaak als scheldwoord gebruikt. Toch duidt antisociale persoonlijkheidsstoornis iets precies aan: een duurzaam patroon van minachting en schending van de rechten van anderen, aanwezig sinds de adolescentie en herkenbaar op meerdere levensgebieden. Het is geen synoniem voor crimineel, het is niet de psychopaat uit de films en het is geen voorspelling. Het is een beschrijving, en een beschrijving zegt niets over het waarom en niets over hoe lang.
Wat de diagnose omvat
De stoornis beschrijft een functioneren dat stabiel is in de tijd, geen slechte periode, en de diagnose wordt pas op volwassen leeftijd gesteld, met sporen van een gedragsstoornis die tot in de kindertijd teruggaan. Die eis verbiedt het etiket te plakken op iemand van wie de moeilijkheden recent zijn opgekomen, na een trauma of een verslaving.
Het functioneren moet bovendien overkoepelend zijn, zichtbaar op het werk, in het gezin, bij vrienden, en niet alleen binnen één relatie. Gedrag dat uitsluitend optreedt tijdens manische of psychotische episodes, of onder invloed van een middel, vraagt om een andere lezing.
De ICD-11 heeft een andere aanpak gekozen: ze beschrijft een persoonlijkheidsstoornis voortaan via de ernst ervan en via overheersende trekken, waaronder dissocialiteit, in plaats van via waterdichte categorieën.
De stoornis blijft weinig voorkomend in de algemene bevolking, wordt vaker bij mannen vastgesteld en is duidelijk sterker vertegenwoordigd in de gevangenis. Veel van wat men meent te weten komt dus van mensen die in detentie zijn ontmoet, en dat beschrijft niet iedereen om wie het gaat.
Antisociaal, asociaal, psychopathisch: drie verschillende woorden
De verwarring speelt zich op drie niveaus af.
Antisociaal is niet asociaal. In het dagelijks taalgebruik heet iemand die verlegen is of zich ongemakkelijk voelt in een groep al gauw antisociaal. De klinische term betekent het omgekeerde: geen terugtrekking uit de omgang met anderen, maar een schending van hun rechten. Veel van de betrokken personen zijn gezellig in de omgang.
Antisociaal is niet psychopathisch. Psychopathie is geen diagnose uit de officiële handboeken: het is een aanpalend begrip, gemeten met eigen instrumenten, dat de nadruk legt op affectieve trekken zoals oppervlakkige hechting, het ontbreken van schuldgevoel of charme als werktuig. De twee overlappen slechts gedeeltelijk, en de richting doet ertoe: de meeste mensen die als psychopathisch worden ingeschat zouden aan de antisociale criteria voldoen, terwijl slechts een minderheid van de mensen met een antisociale diagnose hoge psychopathiescores haalt.
Een diagnose is geen beschuldiging, en ook geen excuus: geen enkele klinische categorie neemt de verantwoordelijkheid voor daden weg, en geen enkele laat zich op afstand stellen, over een ex of een collega.
Hoe het zich toont
Klinische beschrijvingen draaien om een handvol assen, die nooit allemaal in dezelfde mate aanwezig zijn.
- De impulsiviteit: op het moment zelf beslissen, zonder vooruit te kijken, met gevolgen die anderen opvangen.
- De prikkelbaarheid: woede die snel oploopt, soms tot agressie, vaak uitgelokt door ervaren gebrek aan respect.
- De minachting voor veiligheid, de eigen zowel als die van anderen, met herhaald risicogedrag.
- De duurzame onverantwoordelijkheid: financiële, professionele of ouderlijke verplichtingen die maar met tussenpozen worden nagekomen.
- Het bedrog: liegen, manipuleren voor gewin of voor het plezier ervan.
- Het ontbreken van berouw: de aangerichte schade rationaliseren, of kleiner maken dan ze is.
Twee dingen keren terug in verhalen uit de eerste persoon en komen nauwelijks in die lijsten voor. Ten eerste de verveling: een hoge prikkeldrempel, een gevoel van leegte wanneer er niets gebeurt, dat veel betrouwbaarder naar risico duwt dan kwaadaardigheid doet. Ten tweede de bijkomende stoornissen, verslavingen, depressie, angst, andere persoonlijkheidsstoornissen, zo gangbaar dat een geïsoleerd beeld de uitzondering blijft.
Ontstaan en beloop
Er is geen enkele oorzaak aangewezen. De gegevens wijzen op het samenspel tussen een erfelijk aandeel, dat dimensies betreft als impulsiviteit of emotionele reactiviteit, en een vroege omgeving: mishandeling, verwaarlozing, instabiliteit, geweld, bestaansonzekerheid. Geen van beide volstaat op zich, en het merendeel van de kinderen die aan tegenspoed zijn blootgesteld ontwikkelt deze stoornis niet.
Het beloop is het punt dat het slechtst bekend is. Het meest zichtbare gedrag, verbonden met impulsiviteit en overtreding, neigt ertoe met de leeftijd af te zwakken, vaak vanaf de dertig. Die vaststelling is stevig. Wat precies afzwakt blijft betwist: de verhouding tot de ander lijkt trager te bewegen dan het overgaan tot daden. Niets daarvan valt voor een bepaalde persoon te voorspellen uit de diagnose alleen.
Behandeling: het vaststaande en het betwiste
Er bestaat geen medicijn voor de stoornis zelf, en het wachten op een middel dat de kwestie zou oplossen krijgt geen antwoord. Medicatie kan zich richten op wat ermee samengaat: een verslaving, een depressie, een invaliderende impulsiviteit.
Psychosociale benaderingen zijn de hoofdweg: gestructureerde programma's rond woedebeheersing en probleemoplossing, werken aan het vermogen om de eigen mentale toestanden en die van anderen voor te stellen, gezamenlijke behandeling van middelengebruik. Internationale richtlijnen wijzen met uitgesproken voorzichtigheid die kant op, aangezien de effecten bescheiden zijn en de studies weinig talrijk.
Het debat gaat minder over de werkzaamheid dan over de betrokkenheid: de vraag komt vaak van buitenaf, een gerechtelijke beslissing, een werkgever, de partner. Hulp die onder druk wordt ontvangen werkt minder goed dan hulp waarom is gevraagd, zonder dat ze daardoor nutteloos wordt. En het idee dat het geen zin zou hebben om begeleiding aan te bieden, houdt geen stand.
... en het liefdesleven
Een duurzame relatie is mogelijk, op dezelfde grondslagen als elke andere, alleen explicieter gemaakt: afspraken die over de tijd worden nagekomen, echt herstel na aangerichte schade, iemand van buitenaf wanneer een onderwerp het koppel overstijgt. Wat haar leefbaar maakt is niet het verdwijnen van de diagnose maar de betrouwbaarheid die maand na maand wordt vastgesteld.
Wat een partner werkelijk helpt, komt op weinig neer. Kijken naar daden in plaats van woorden, over langere tijd, want daar valt een patroon af te lezen. Onthouden dat een etiket in beide richtingen niets nuttigs voorspelt: het beschuldigt niemand en het stelt niemand gerust. En weten dat duidelijke grenzen stellen, en zichzelf vervolgens het recht geven te vertrekken als ze niet worden gerespecteerd, geen gebrek aan steun is maar juist wat de relatie leefbaar houdt.
Om erover te praten werkt beschrijven wat je meemaakt beter dan het woord alleen neerleggen, want dat sleept te veel beelden uit fictie mee: de impulsiviteit, de verveling, de manier waarop de woede oploopt en wat haar weer laat zakken. Ook zeggen wat er al staat, een begeleiding, regels, mensen aan wie je verantwoording aflegt.
Een laatste punt, zonder omwegen. Als er in een relatie geweld, bedreigingen of angst voorkomen, is de diagnose van de ander niet het onderwerp en hoeft ze niet begrepen te worden voordat je handelt: zulke situaties horen bij professionals en bij daarvoor bestemde diensten, niet bij de partner alleen.